Schenk- en erfbelasting

SCHENK- EN ERFBELASTING INGAANDE 1 JANUARI 2024

De jaarlijkse vrijstellingen voor schenkbelasting in 2024 zijn: 

Kinderen € 6.633,00
Kinderen 18-40 jaar (eenmalig, bestedingsvrij) € 31.813,00 of 
Kinderen 18-40 jaar (eenmalig, voor studie) € 66.268,00 of 
Overige verkrijgers € 2.658,00

De vrijstellingen voor erfbelasting in 2024 zijn: 

Partners € 795.156,00 
Kinderen en kleinkinderen € 25.187,00
Zieke en gehandicapte kinderen € 75.546,00
Ouders € 59.643,00
Overige verkrijgers € 2.658,00

Voor zover er bedragen worden geschonken of geërfd boven deze vrijgestelde bedragen, zijn de volgende tarieven van toepassing. 
€ 0 – € 152.367,00: Partners en kinderen 10% Kleinkinderen 18% Overige verkrijgers 30% 
€ 152.367,00 en hoger: Partners en kinderen 20% Kleinkinderen 36% Overige verkrijgers 40%.

SCHENKINGSVRIJSTELLING VOOR EIGEN WONING

Ingaande 1 januari 2022 is er een schenkingsvrijstelling voor een eigen woning van € 106.671,00, welke over drie achtereenvolgende kalenderjaren mag worden verspreid voor zover de schenkingen plaats vinden in de periode dat de verkrijger of zijn partner niet ouder dan 40 jaar is. De vrijstelling is niet beperkt tot schenkingen van een ouder aan een kind, ook een tante, opa of goede vriend kan als schenker optreden. Op 1 januari 2023 is de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning voor zowel kinderen als andere verkrijgers verlaagd van € 106.671,00 naar € 28.947,00. Vervolgens wordt op 1 januari 2024 deze schenkingsvrijstelling volledig afgeschaft.

ALSNOG OVERGANGSGANGREGELING VOOR VRUCHTGEBRUIK

Bij beleidsbesluit van 4 april 2012, nummer BLKB2012/103M, heeft staatssecreteris Weekers (Financiën) geregeld dat er alsnog een overgangsregeling komt voor erfbelasting bij overdracht van een woning door ouders aan kinderen onder voorbehoud van een vruchtgebruik voor de ouders. Deze overgangsregeling gaat gelden met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010.

Door dit besluit is “gerepareerd” dat kinderen bij het overlijden van de ouders op grond van artikel 10 Successiewet erfbelasting moeten betalen over de waarde van de woning op het moment van overlijden. Dit besluit voorkomt dit ongewenste gevolg.

De overgangsregeling zorgt ervoor dat ook kinderen van wie (één van van) de ouders op of na 1 januari 2010 zijn overleden, in aanmerking komen voor een soepele regeling. Zij mogen alsnog uitgaan van de (lagere) waarde van de woning ten tijde van de overdracht hiervan. Zelfs indien een aanslag erfbelasting al onherroepelijk vaststaat, kan deze op verzoek ambtshalve worden verminderd. Deze waarde moet wel worden vermeerderd met de waardestijging van de woning in de periode 1 januari 2010 tot de overlijdensdatum.

AANPASSING LEEFTIJDSGRENS EENMALIG VERHOOGDE VRIJSTELLING

Met ingang van 1 januari 2013 is de leeftijdsgrens van de eenmalige verhoogde vrijstelling in de schenkbelasting aangepast van 18-35 jaar naar 18-40 jaar.

WOZ-WAARDE GEËRFDE WONING

Voor de erfbelasting moet worden uitgegaan van de WOZ-waarde van een woning. De peildatum van de WOZ-waarde ligt echter altijd (ten minste) een jaar voor de overlijdensdatum. Sinds 1 januari 2012 heeft de verkrijger van een woonhuis de mogelijkheid om te kiezen voor de WOZ-waarde die geldt in het jaar van overlijden of de WOZ-waarde die geldt voor het jaar ná het jaar van overlijden. Kies de laagste WOZ-waarde voor de aangifte erfbelasting.

MANTELZORGCOMPLIMENT EN ERFBELASTING

Staatssecretaris Van Rijn (VWS) heeft in een brief van 20 juli 2013 aan de Tweede Kamer laten weten het voornemen te hebben het huidige mantelzorgcompliment met ingang van 1 januari 2015 niet langer te laten bestaan. Het compliment wordt dan een expliciete taak van gemeenten die mogen bepalen hoe zij de waardering voor mantelzorgers tot uiting willen brengen. Daarmee vervalt echter de toepassing van de hoge partnervrijstelling voor de erfbelasting voor mantelzorgende kinderen en ouders.

De partnervrijstelling voor de erfbelasting is van toepassing als er sprake is van een partner. In de praktijk neemt een kind vaak een deel van de zorg van de langstlevende ouder op zich. Bij het overlijden van de ene ouder, kunnen de andere ouder en het kind in beginsel niet elkaars partner zijn omdat zij elkaars bloedverwant in de rechte lijn zijn. Op grond van een regeling in de Successiewet 1956, kunnen de andere ouder en het kind thans toch als elkaars partner worden aangemerkt. Het kind moet dan in het jaar voorafgaand aan het overlijden van de ouder een Wmo-uitkering hebben genoten in verband met verleende zorg (mantelzorgcompliment). Als het kind kwalificeert als partner, kan hij de partnervrijstelling toepassen. Hetzelfde kan overigens gelden in de omgekeerde situatie, namelijk als de ouder de zorg voor het kind op zich heeft genomen en hiervoor een mantelzorgcompliment ontvangt.